vrijdag 31 januari 2014

1777 - BEDANKT O LAND DAT ONS ZOVEEL GEGEVEN HEEFT



*
Vrijdag 31 januari
Zon 8u20-17u32
H Johannes Bosco, patroon van opvoeders, circusartiesten en goochelaars

*
*
 

*

WAAROVER HET GAAT
Hij, de Eersdte Jeannet van het land, heeft, zegt hij zelf, zoveel gekregen van België. Dat zijn zowat de woorden die Di Puppo gisteren geradbraakt heeft, toen hij als jongste  mijnwerkerszoon, in België bleef om een profiteurs-carrière te maken, in plaats van als  afgestudeerde academicus naar zijn Italiaans bergdorp terug te keren, om daar een of ander chemisch bedrijf op te starten, die zijn sociaal-democratische idealen in de praktijk had kunnen brengen. Italië en meer bepaald die bergstreek in de verpauperde Abruzzen, had dat inzake de tewerkstelling hard kunnen gebruiken en wij zouden al lang af zijn geweest van zijn verdorven levenswandel en van zijn Parti Scandale. Wat in feeite twee keer hetzelfde zeggen is met andere woorden.
Maar precies vandaag ‘pakt’ http://www.bloggen.be/roeland/ me naar de keel, met een bijdrage over Dr. Aug. Borms (iemand die België hoogstens dankbaar kan zijn voor de kogel die hij kreeg) met daarin een venijnige maar correcte opmerking over de Brabantse Omwenteling van 1830.
Deze bijdrage gaat dus voor de zoveelste keer over de onzalige repressie-tijden die er op uit zijn geweest om de Vlaamse Beweging helemaal af te knallen. Maarde slotzinnen zijn perfect toepasselijk op deze tijd waar Vlaanderen op de drempel van de Vrijheid, als we niet opletten, eens te meer verscheurd door haat en broedertwist, bedelend aan de poort zal moeten blijven staan.
.
BASIS v/d INSPIRATIE
Het verboden gedicht van Willem Elsschot
Hendrik Carette
*
Het is februari 1947 en koud en mistig. Twee jaar eerder op 6 februari werd de Franse dichter Robert Brasillach (Perpignan, 1909 – Montrouge, 1945) in het fort van Montrouge op vier kilometer van Parijs gefusilleerd. En één jaar eerder, nota bene op een wel zeer symbolische Goede Vrijdag, wordt hier bij ons in de kazerne van Etterbeek Dr. August Borms gefusilleerd. (2) Borms (Sint-Niklaas, 1878 - Etterbeek, 1946) was echter geen dichter, maar wel een overtuigd christen (zoals Robert Brasillach) een goede leraar, een goede germanist en een onvermoeibare idealist. En elke idealist, die geen cynicus wordt, blijft altijd ook een beetje een naïeve dagdromer. Misschien omdat hij vurig blijft geloven in zijn verheven idealen of onmogelijke utopieën.
En jazeker Dr. August Borms was Duitsgezind (zowel vóór als tijdens de eerste en zowel vóór als tijdens de tweede wereldoorlog) en dit zowel eerst als overtuigd aktivist en later als icoon van het romantische strijdvaardige nationalisme. En om de hele tijdgeest binnen een bepaalde generatie van de Vlaamse Beweging met haar leidende figuren (ik verwijs dan naar figuren als Cyriel Verschaeve, Hendrik Elias, Jef van de Wiele, Ward Hermans, Lodewijk Dosfel, Gérard Romsée en Dirk Vansina) en hun ideologische invloed enigszins te duiden en te verklaren verwijs ik graag naar een opmerking onze grote historicus Johan Huizinga die de historische redenen hiervoor in de jaren dertig van de vorige eeuw als volgt omschreef: "Omstreeks 1890 scheen de wetenschappelijke wereld in Nederland, om 't even of het geneeskunde, staatswetenschap of philologie betrof, haar heil in overgroote macht bij Duitschland en den Duitschen geest te zoeken." (3)

En jazeker August Borms was wellicht voor velen die een ouderwetse zuivere idealist niet meer kunnen of willen begrijpen een wat gefrustreerde provinciaal (hij was zeker geen kosmopoliet en geen vrijmetselaar!), maar hij was bovenal een idealist die droomde van een vaderland om te beminnen en dat vaderland was zijn Vlaanderland (het zuidelijke kernland van wat hij zag als zijn Dietsland, of zijn Groot-Nederland), een woord als Vlaanderland dat zelfs onze Willem Elsschot, zonder enige ironie of schampere spot, aan het eind van de vierde strofe neerschrijft en ik citeer:

Maar dat het salvo, dat finaal is losgebrand,
ons allen heeft geraakt, dat voelt heel Vlaanderland.

En zelfs een voormalige leerling aan het Antwerpse Atheneum, die men toch bezwaarlijk als een verdachte kan zien; niemand minder dan de precieuze Franstalige Antwerpse dichter Paul Neuhuys (Antwerpen 1897- Brussel 1984) schreef over deze Borms de volgende ontroerende getuigenis:

Een leraar las ons verzen van Guido Gezelle voor
Over het ruisen van het ranke riet langs de Leie.
Op een dag vroeg hij mij:
Waarom spreekt u een taal die niet de uwe is?
Ik was razend, hoe kun je nu zo stom zijn!
Later vernam ik dat die leraar bij Duitsland aanleunde,
Zoals de Brabantse Omwenteling bij Frankrijk
en dat men hem ter dood had veroordeeld.
Het is jammer:
Ik hield van zijn gezette figuur van goed christen
En het ranke riet van Guido Gezelle zong verder in mijn herinnering.

Het is februari 1947 en te midden van deze voor Vlaanderen zo trieste en genadeloze repressietijd schrijft Willem Elsschot zijn Bormsgedicht. Het is een gedicht dat door merg en been gaat. Het heeft een zeer retorische en echt verwijtende toon. Het is dus een politiek zeer geëngageerd gedicht. Het is een verbijsterend gedicht waar de dichter Willem Elsschot niet de daad maar de dood bij het woord voegt. Het is een aangrijpend gedicht dat regel na regel rijmt en rijmt als bij een zwaar requiem dat stap na stap naar een in memoriam leidt. Het is een gedicht met een envoi, een envoi of een slotrefrein dat na negen strofen, althans volgens de versie van het Verzameld werk (5) van Willem Elsschot dat ik (overigens zouden er niet minder dan twaalf versies van dit gedicht bestaan) bezit en het is het laatste gedicht van in totaal tweeëntwintig aangrijpende gedichten als "Het Huwelijk", "De Bult spreekt", "Aan Jan Greshoff" en "De Banneling" en het zijn gedichten die niemand onbewogen kan lezen of aanhoren. Trouwens wie ooit in een volle zaal zo'n bars gedicht van Willem Elsschot met de schorre theatrale stem van de declamator Antoon Vander Plaetse (Tielt, 1903 - Kortrijk, 1973) mocht aanhoren zal dit zeker niet vergeten zijn. En zelfs de Vlaamse communist en cineast Frans Buyens (Temse, 1924 - Temse, 2004) die niet één woord aan het Bormsgedicht kon of wilde wijden schreef over al zijn andere gedichten: "In zijn gedichten is de auteur echter meer uit zichzelf getreden. Hij staat met andere woorden met de ene voet binnen de cirkel van de eigen ervaring en met de andere raakt hij het toneel waarop de conflicten van de buitenwereld zich afspelen. Zo komt het dat hier zijn toon baldadiger klinkt, dat zijn protest zich in heftiger vormen openbaart." (6)
Zwart en verdacht
Het Bormsgedicht van Willem Elsschot is een hard gedicht, het klinkt hard en verwijtend hard als een zware steen (geen gave glanzende kei zoals bij de Antwerpse dichter Maurice Gilliams) die neerploft in een poel of een gevaarlijk groen moeras en het werd geschreven in een beklemmende stilte. De voor Vlaanderen zo beangstigende stilte van de eerste naoorlogse jaren toen alles wat Vlaams was nog zwart en verdacht was als een zwarte pest die door de burgerlijke en militaire overheden (de handlangers van deze verachtelijke staat) moest worden verdelgd en uitgeroeid. Het is 1947 en ik ben een uk van één jaar in Assebroek bij Brugge, waar wij met vier zonen op één kamer moeten slapen in het huis van mijn grootvader. Het is 1947 en de kapelaan Cyriel Verschaeve houdt zich dan nog schuil in Tirol. De dichter Wies Moens is dan al een banneling en belande veilig over de Maas in dat andere Limburg. De sluwe West-Vlaamse schrijver en herenboer Stijn Streuvels luistert naar de lijsters in zijn veilig Lijsternest. Elsschots goede vriend de dichter Jan Greshoff (Nieuw-Helvoet, Nederland, 1888 - Kaapstad, Zuid-Afrika, 1971) bevond zich toen al in het nog aangename en veilige Kaapstad bij de Afrikaners en de bruinmense aan de Tafelberg. In Antwerpen maakt de toen nog jonge Aleidis Dierick zich op om naar Ierland te vluchten en Filip de Pillecyn wordt op 17 Maart 1947 door de Krijgsraad in Brussel veroordeeld tot tien jaar hechtenis en verblijft eerst in het vakantiekamp van Lokeren en daarna in de gevangenissen van Dendermonde en Sint-Gillis. Iedereen luistert die eerste jaren na de oorlog naar een ruisende en krakende radio en heel Vlaanderen wacht te midden van deze angst op de arrestaties en de processen met die wel zeer vijandige heren procureurs en rechters. Koning Leopold III verblijft nog in het neutrale Zwitserland en zijn broer prins Karel, met de sarcastische titel graaf van Vlaanderen, de regent die niet één keer gratie verleende, heerst hier nog tot in 195O als een volksvreemde en ons zeer vijandige monarch.
En te midden van deze sombere tijden neemt de vrijzinnige socialist en èchte humanist Willem Elsschot bevend van woede en verontwaardiging zijn scherpe pen om zijn laatste krachtige gedicht te schrijven.
Was hij, de rode Antwerpse vos, plots veranderd in een zwarte duivel van Tasmanië? Nee, de mens Alfons De Ridder maakte een gedicht dat toentertijd door niemand binnen de toenmalige Linkse Kerk werd aanvaard, begrepen of bewonderd. De redactie van het vrijzinnige socialistische Nieuw Vlaams Tijdschrift weigerde de publicatie van dit gedicht (met postume dank aan onze zo ruimdenkende humanisten Louis Paul Boon en Marnix Gijsen!). Het was dus echt een verboden gedicht, want enkel het al even verdachte satirische tijdschrift Rommelpot durfde dit gedicht voor het eerst te publiceren. (7)

Terwijl ook onze katholieke bisschoppen en kanunniken zwegen en het gewijde hoofd bogen en angstig staarden naar de koude decoratieve vloertegels van hun kille kerken en kathedralen.

En terwijl in Frankrijk in 1945 een petitie rondging voor de vrijlating van Robert Brasillach (die ondertekend werd door Jean-Louis Barrault, Albert Camus, Paul Claudel, Colette, Jean Cocteau, Arthur Honegger, François Mauriac, Jean Paulhan, Paul Valéry e.v.a., maar let vooral op de naam van de zeer katholieke romancier en gaullist François Mauriac...) zweeg hier heel Vlaanderen en schreef onze baldadig rijmende vrije Antwerpenaar in de negende strofe:

Voorop de Kardinaal, gedost in vol ornaat.
Herzegend en verkist zijt gij zijn kameraad.
Hij zal, na 't eersaluut, liturgisch henengaan:
en zo heeft dan het Land postuum zijn plicht gedaan.

Toch bleef dit verboden gedicht niet voor iedereen altijd maar verboden en stilaan kende dit gedicht een ondergronds bestaan en de moedige Willem Elsschot werd ook dankzij dit gedicht een levende mythe, een levende legende, een ware vriend (8) en een waarachtig dichter, want hoor maar naar deze laatste strofe die nu voor ons allen, meer dan ooit, als de stem van een profeet moet klinken... Want Vlaanderen, is nog altijd niet bevrijd en allicht nog niet hersteld van al zijn wonden, vergissingen en vernederingen uit een nog niet al te ver verleden. Luister dan ook naar deze rauwe stem die tot op heden als de strenge stem van Prediker of de stem van een Bijbelse Jeremia klinkt:

Gij dacht, o lijdzaam volk, dat 't gruwelijk getij
der oude tirannie voor immer was voorbij.
Weet nu dan dat uw stem door niemand wordt aanhoord,
Zolang gij stamelend bidt of bedelt bij de poort
*
PERSOONLIJKE BENADERING
Als Oud-Leerling van Tone Vanden Plaetse, Vlaanderens grootste declamator, heb ik mij altijd aangesproken gevoeld door het begrip ‘Hart-Vlaanderen’ en ben dit op den duur gaan bezien als West Vlaanderen. Wat natuurlijk onzin is want het kan evengoed en zelfs, wegens zijn authenticiteit, beter Frans Vlaanderen zijn.
Iedereen echter is kind van zijn tijd, maar van idealen alleen kan een mens niet leven. Er moet op de eerste plaats brood op de plank komen. En daarom is het ideaal, om op latere leeftijd, de cynicus te gaan uithangen. In de hoop dat daarmee de jeugd vroeger tot de juiste vaststellingen komt.
Deze jeugd moet durven en inderdaad niet langer genoegen nemen met een stok achter de deur te zijn. Want die deur, dat is buiten de poort waar Elsschot het over heeft. Achter de deur staan staat meestal gelijk met in het rommelkot, bij de borstels.
Een stok achter de deur, dat waren de Vlaamse onderhandelaars in Parijs niet, toen ze bij het huiswaarts keren, hun dure mantels lieten liggen op de harde houten banken. ‘Neen, we zijn niets vergeten”, zeiden zij tegen de dienaren die hen achterna liepen “Zeg aan Uw Meester dat wij Vlamingen nooit de kussens meenemen van bij de gastheer” – Dat was, zo zeggen de oude kronieken, omdat de Franse Koning alleen op hun banken geen kussens had voorzien, om op die manier hun positie als mindere te beklemtonen. De Vlamingen hadden dan maar hun kostbare met veel goud en brokaat geweven mantels, samen gevouwen om er op te zitten.
Ondergetekende hoopt dan ook, dat de volgende kiescampagne voor het Vlaams Belang na ‘De stok achter de deur’ kan starten met waaiende riddermantels gedragen door fiere herauten die loveren zwaaiend in het Land tussen Maas en Schelde, de Nieuwe Tijd der Vrijheid uitbazuinen. Want met de woorden van René  Declerck in 1923:
Er ligt een  Staat te sterven.
We zullen op d’uitvaart zijn.

Geschreven door AABEE via Digitalia
*
 
*


Geen opmerkingen: